Quickscan Flora en Fauna – Hoe Werkt het Bureauonderzoek?

Bij een Quickscan Flora en Fauna is het literatuur- en bureauonderzoek een onmisbare eerste stap om snel en doeltreffend inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten. Met de invoering van de Omgevingswet is de verplichting om zorgvuldig met de natuur om te gaan alleen maar belangrijker geworden. Vooraf bepalen welke flora en fauna zich in een gebied kunnen bevinden, bespaart tijd en voorkomt verrassingen tijdens de uitvoeringsfase. Hieronder lees je hoe dit literatuur- en bureauonderzoek in zijn werk gaat.

1. Verzamelen van algemene gebiedskenmerken

Allereerst worden de algemene kenmerken van het plangebied in kaart gebracht. Denk hierbij aan zaken als de ligging, de grootte en de huidige bestemming van het terrein. Ook de aanwezigheid van water, groenstroken en bestaande bebouwing is belangrijk om te bekijken. Zo ontstaat een eerste beeld van de leefomgeving en de mogelijke biotopen die dieren en planten in het gebied kunnen aantrekken.

2. Bestuderen van beleidskaders en wetgeving

Met de komst van de Omgevingswet is de regelgeving rondom natuurbescherming veranderd. Wat eerder bekendstond als de Wet natuurbescherming en bijbehorende ontheffingen, valt nu binnen de kaders van de Omgevingswet en omgevingsvergunningen. Tijdens het bureauonderzoek wordt daarom bekeken welke wet- en regelgeving relevant is voor het gebied. Hierbij wordt bijvoorbeeld gekeken of er beschermde gebieden (zoals Natura 2000-gebieden) in de buurt liggen en of de geplande werkzaamheden invloed kunnen hebben op de aanwezige natuurwaarden.

3. Raadplegen van relevante databanken (waaronder NDFF)

Een van de meest geraadpleegde bronnen in Nederland is de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). In deze databank zijn waarnemingen van planten en dieren vastgelegd, inclusief soortnamen, vindplaatsen en observatieperiodes. Door de gegevens uit de NDFF te bestuderen, kan een ecoloog inschatten welke beschermde en algemene soorten in het gebied of in de directe omgeving voorkomen. Daarnaast zijn er nog andere databanken en bronnen die kunnen worden geraadpleegd, zoals regionale natuurorganisaties of gemeentelijke registers met ecologische gegevens.

4. Bestuderen van oude rapporten en eerdere quickscans

Soms zijn er voor het gebied al eerdere ecologische rapportages of quickscans gemaakt. Die kunnen waardevolle informatie bieden over soortspecifiek onderzoek, eerdere vondsten van beschermde soorten of al genomen beschermingsmaatregelen. Door deze rapporten te bekijken, wordt duidelijk welke diersoorten al eens zijn vastgesteld. Daarnaast kan het nuttig zijn te kijken naar bouwplannen of vergunningaanvragen uit het verleden, omdat daar vaak ecologische adviezen aan vooraf zijn gegaan. Op die manier worden geen onderzoeken dubbel uitgevoerd en kan de meest recente data worden gebruikt.

5. Inventariseren van mogelijke aandachtspunten

Na het verzamelen en analyseren van alle relevante informatie, maakt de ecoloog een lijst van soorten en aandachtspunten die naar voren komen. Stel dat uit de NDFF blijkt dat in de buurt van het plangebied zeldzame vleermuizen zijn waargenomen, dan kan dit reden zijn om tijdens het veldonderzoek extra op verblijfplaatsen of vliegroutes te letten. Ook kan het bureauonderzoek aanwijzingen geven over zeldzame planten die rond waterkanten groeien, zoals bepaalde oeverplanten die onder de Omgevingswet beschermd zijn. Dankzij dit voorwerk komt de ecoloog goed voorbereid naar de locatie voor de feitelijke check op het terrein.

6. Bepalen van reikwijdte en methode vervolgonderzoek

Op basis van de resultaten uit het literatuur- en bureauonderzoek wordt duidelijk welke onderzoeksmethode in het veld het best aansluit bij de mogelijke soorten. Zo kan een ecoloog besluiten om in de ochtend of avond te gaan kijken naar vliegende vleermuizen, of juist in de lente op zoek te gaan naar broedende vogels. Als de databankgegevens aangeven dat er in het gebied beschermde plantensoorten groeien, kan een gespecialiseerd botanisch onderzoek nodig zijn. Ook kan het zijn dat er juist weinig kans is op beschermde soorten, waardoor de ecoloog kan volstaan met een algemene quickscan. Deze stap voorkomt dat er onnodig onderzoek wordt uitgevoerd.

7. Wettelijke implicaties en omgevingsvergunning

Als het literatuur- en bureauonderzoek wijst op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten, kan er meer tijd en onderzoek nodig zijn. De Omgevingswet schrijft voor dat er zorgvuldig met die soorten moet worden omgegaan. Waar voorheen een ontheffing Wet natuurbescherming moest worden aangevraagd, loopt dit nu via de omgevingsvergunning. Hierdoor is het makkelijker om alle facetten van een project – van ruimtelijke ordening tot natuurbelangen – in één vergunningsprocedure te doorlopen. Het bureauonderzoek vormt hiervoor de basis: met betrouwbare informatie over de natuurwaarden kan een projectontwikkelaar of gemeente vroegtijdig de juiste stappen zetten om vergunningen rond te krijgen.

8. Voorkomen van vertraging en kosten

Een grondig literatuur- en bureauonderzoek vooraf kan veel vertraging en kosten besparen. Als blijkt dat er beschermde dieren of planten aanwezig zijn, is het immers beter om daar in de vroege planfase al rekening mee te houden. Zo kunnen speciale maatregelen worden opgenomen in het ontwerp, of kan de uitvoering worden getimed buiten het broed- of bloeiseizoen. Dit voorkomt dat je tijdens de bouw noodgedwongen moet stoppen vanwege onverwachte vondsten. Met een goed uitgevoerde quickscan flora en fauna, gesteund door degelijk bureauonderzoek, verloopt de vergunningaanvraag en uitvoeringsfase een stuk soepeler.

9. Samenspel tussen bureauonderzoek en veldbezoek

Hoewel het bureauonderzoek een stevige basis vormt, blijft een veldbezoek onmisbaar om de actuele situatie te verifiëren. De praktijk wijst namelijk uit dat de omstandigheden in een gebied snel kunnen veranderen. Denk aan sloop van een gebouw waar vleermuizen in zaten, of de aanleg van nieuwe groenvoorzieningen. Een combinatie van literatuurstudie, NDFF-raadpleging en gerichte waarnemingen ter plaatse geeft uiteindelijk het meest complete beeld van de flora en fauna.

Vergelijkbare berichten