Quickscan Flora en Fauna – Veldonderzoek en Aandachtspunten

Een Quickscan Flora en Fauna is een oriënterend onderzoek om te bepalen of een voorgenomen project (zoals nieuwbouw, sloop of herinrichting) negatieve effecten kan hebben op beschermde planten- en diersoorten. Hierbij wordt rekening gehouden met de Omgevingswet, die voorschrijft dat ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldig met de natuur moeten omgaan. Het locatiebezoek, oftewel het veldonderzoek, is een belangrijk onderdeel van deze quickscan. In de onderstaande tekst lees je hoe dit veldonderzoek verloopt, welke aandachtspunten er zijn en hoe de bevindingen bijdragen aan een goed onderbouwd advies.

Voorbereiding op het Locatiebezoek

Voordat een ecoloog het gebied ingaat, bestudeert hij of zij eerst alle beschikbare informatie uit het bureauonderzoek. Denk aan kaarten, luchtfoto’s en databanken zoals de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Dit voorwerk geeft een goed beeld van de planten- en diersoorten die in de omgeving kunnen voorkomen. Ook wordt gekeken naar de kenmerken van het terrein, zoals waterpartijen, groene corridors, oude gebouwen of houtwallen. Zo weet de ecoloog van tevoren waar extra op gelet moet worden tijdens het veldbezoek.

Werkwijze tijdens het Veldonderzoek

Bij aankomst in het plangebied neemt de ecoloog de fysieke situatie zorgvuldig in zich op. Daarna volgt een systematische inspectie van alle relevante delen van het terrein. Afhankelijk van de grootte en complexiteit van het gebied wordt een vaste route gelopen, of juist van plek naar plek gesprongen om specifieke aandachtspunten te bekijken.

Tijdens dit onderzoek worden verschillende indicatoren gebruikt om de aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen:

  1. Directe waarnemingen
    • De ecoloog let op planten en dieren die daadwerkelijk zichtbaar zijn, maar ook op geluiden die dieren kunnen verraden. Zo kan het horen van een vleermuisdetector of vogelgezang een belangrijke aanwijzing zijn.
  2. Indirecte sporen
    • Veel diersoorten zijn schuw en laten zich niet zomaar zien. Sporen zoals voetafdrukken, uitwerpselen, vraatsporen of haren kunnen dan duidelijk maken dat er beschermde diersoorten aanwezig zijn. Ook oude nesten of holtes in bomen zijn waardevolle indicatoren.
  3. Habitatkenmerken
    • Bepaalde soorten hebben specifieke leefomstandigheden nodig. Zo zijn vochtige graslanden interessant voor amfibieën en weidevogels, terwijl oude gebouwen of holle bomen potentieel vleermuizen kunnen herbergen. Als zo’n habitat aanwezig is, wordt verder onderzocht of er aanwijzingen zijn dat de soort hier ook daadwerkelijk voorkomt.

Seizoensinvloeden en Tijdsplanning

Het seizoen waarin het locatiebezoek plaatsvindt, heeft grote invloed op de resultaten. Sommige planten zijn bijvoorbeeld alleen in bloei tijdens de lente of zomer, terwijl andere juist in de herfst goed te herkennen zijn. Ook dieren zoals vleermuizen en vogels hebben specifieke perioden waarin ze actief zijn of broeden. De ecoloog moet dus rekening houden met de tijd van het jaar en kan besluiten om een aanvullend onderzoek in een gunstiger seizoen te adviseren als dat nodig is.

Belang van Eenmalige en Terugkerende Bezoeken

In veel gevallen is één veldbezoek voldoende om een beeld te krijgen van de aanwezige soorten. Het kan echter voorkomen dat er vanwege de seizoensinvloeden een extra bezoek wordt ingepland, bijvoorbeeld als de eerste ronde in de winter plaatsvond en de ecoloog wil controleren of er in het voorjaar broedende vogels of bijzondere plantensoorten aanwezig zijn. Ook kan het nuttig zijn om in de late avond of vroege ochtend op pad te gaan, juist om vleermuizen of andere nachtdieren waar te nemen.

Aandacht voor Verstoring

Een belangrijk uitgangspunt bij een quickscan is dat het veldonderzoek geen of minimale verstoring oplevert voor de aanwezige dieren. Daarom gaat een ecoloog meestal voorzichtig te werk: er wordt gekeken naar sporen en nestplaatsen zonder ze te beschadigen, en dieren worden niet opzettelijk opgejaagd of gevangen. Door dit zorgvuldige gedrag te hanteren, blijft de impact op de natuur zo klein mogelijk en kunnen de onderzoekers toch de benodigde data verzamelen.

Verwerking van de Bevindingen

Alle observaties, foto’s en notities die tijdens het locatiebezoek zijn gemaakt, worden na afloop verzameld en geanalyseerd. De ecoloog vergelijkt deze gegevens met de informatie uit het bureauonderzoek. Zo ontstaat een compleet beeld van de situatie: welke beschermde soorten zijn daadwerkelijk gevonden of vermoed, en is het gebied geschikt als leef- of verblijfplaats voor bepaalde soorten?

Op basis van deze gegevens adviseert de ecoloog vervolgens of er extra maatregelen nodig zijn om dieren en planten te beschermen. Dit advies kan uiteenlopen van kleine aanpassingen in de planning (bijvoorbeeld niet werken tijdens het broedseizoen) tot het plaatsen van nestkasten of het verplaatsen van diersoorten naar een veiliger leefgebied. In sommige gevallen is vervolgonderzoek nodig om extra zekerheid te krijgen.

Hoe het Veldonderzoek bijdraagt aan het Eindadvies

Het locatiebezoek is een onmisbare schakel in de quickscan. Zonder informatie uit de praktijk is het namelijk lastig te beoordelen wat er echt speelt in het veld. De gegevens uit het veldonderzoek vormen samen met het bureauonderzoek de basis voor de eindconclusie in de rapportage. Deze rapportage toont aan in hoeverre het voorgenomen project voldoet aan de eisen van de Omgevingswet en welke beschermde soorten mogelijk worden beïnvloed.

Als blijkt dat er geen gevoelige natuurwaarden aanwezig zijn, zal de conclusie vaak luiden dat het project zonder verdere ontheffingen of vergunningaanpassingen kan doorgaan. Wordt er wél iets aangetroffen, dan wijst het onderzoek uit welke mitigerende of compenserende maatregelen nodig zijn om een overtreding van de regels te voorkomen. Hierdoor kunnen zowel de initiatiefnemer als de bevoegde instanties weloverwogen beslissingen nemen, waarbij de belangen van de natuur en de ontwikkeling in balans blijven.

Vergelijkbare berichten